|
Solidair schrijft:"De vergrijzing wordt binnenkort onbetaalbaar. We moeten langer werken en zelf sparen voor ons pensioen... We krijgen het overal te horen alsof het om een natuurwet gaat waar niet aan te ontkomen valt. Toch is dit slechts één visie op de pensioenkwestie: een visie die bovendien de logica van de patroons volgt. Als je er een echt maatschappijdebat van maakt, dan is er nog een andere visie: een die vertrekt van de noden van de bevolking.
“De vergrijzing is als een tsunami die op ons afkomt”, zo wil de patronale logica ons doen geloven. Een overdreven voorstelling van de zaken, zegt Jo Cottenier van de PVDA-studiedienst. Gespreid over 20 jaar kost de vergrijzing 650 miljoen euro per jaar extra. Niets om van achterover te vallen als je ziet hoeveel de redding van de banken ons kostte.
Eerst even de situatie schetsen. De mensen leven gemiddeld (!) langer dan vroeger. Daar bestaat geen discussie over. Even onweerlegbaar is dat de “babyboomgeneratie” (de relatief grote bevolkingsgroep die na WO II geboren is) vanaf 2011-2012 de pensioenleeftijd zal beginnen te bereiken. En dat de sociale zekerheid dus zal moeten instaan voor de groeiende kosten voor pensioenen en gezondheidszorg. De Studiecommissie voor Vergrijzing becijferde dat de sociale zekerheid in 2030 – bij toenemende vergrijzing en gelijkblijvende rechten – 3,8% van het bruto binnenlands product (bbp) meer zal moeten uitgeven. In 2060 zal dat oplopen tot 5,6% van het bbp.
Goed. Maar wat doen we daaraan? Voor onze nieuwe regering – maar ook voor de oppositiepartijen, de Europese Commissie, de patroons en ja zelfs de meeste media – is er maar één marsrichting: de mensen moeten langer werken en zelf een aanvullend pensioen bijeen sparen. De uitdagingen zijn enorm en deze maatregelen zijn onvermijdelijk, klinkt het. Jo Cottenier van de studiedienst van de PVDA is het daar niet mee eens. In het recentste nummer van Marxistische Studies legt hij uit waarom.
Vergrijzing is wél betaalbaar
Vooreerst loopt de kost van de vergrijzing niet zo hoog op als sommigen ons willen doen geloven. Akkoord, het gaat om grote bedragen, maar “de tsunami van de vergrijzing” moet tot zijn ware proporties herleid worden, vindt Jo Cottenier: “een héél langzaam zwellende stroom die perfect kan worden opgevangen”. Hij vergelijkt de kost van de vergrijzing met wat onze overheid de afgelopen jaren al vlotjes op tafel legde voor de redding van de banken. Jo Cottenier: “2011 is het eerste jaar waarin de babyboomgeneratie een graai doet in de pensioenkassen, maar de regering van lopende zaken heeft heel wat andere zorgen dan de vergrijzingskost. De redding van Dexia bijvoorbeeld, waarvoor ze 4 miljard moet op tafel leggen, of meer dan 1% van het bbp. Nadat Leterme in 2008 ook al 20 miljard, of meer dan 5% van het bbp, tevoorschijn kon toveren voor Fortis en Dexia. Vergelijk dit met de vergrijzingskost van 3,8% bbp, gespreid over 20 jaar, wat neerkomt op 0,19% bbp, of 650 miljoen per jaar. (...) De jaarlijkse groei gespreid over 50 jaar is trouwens nog bescheidener, want amper 0,11% bbp per jaar (of totaal 5,6% bbp).”
Die banken kostten ons dus al een pak meer dan de vergrijzing (en van die bankenredding, daar hebben we nog het einde niet van gezien ook). Dat plaatst de “pletwals” die de kost van de vergrijzing volgens sommigen is, al in een heel ander perspectief. Het ontlokt Jo Cottenier de Cháveziaanse boutade “Als de pensioenen een bank waren...”
Gepluimde sociale zekerheid
Cottenier stelt dat de bijkomende kost van de pensioenen gefinancierd moet worden door een herverdeling van het nationaal inkomen (het totaal verdiende inkomen van een land in één jaar). De laatste 20 jaar was er een grote verschuiving binnen de verdeling van het bruto binnenlands product. De inkomsten uit arbeid (waar via de sociale zekerheid ook de pensioenen mee betaald worden) daalden met 10%, terwijl de inkomsten uit kapitaal met 10% stegen. Als we dat eens in euro’s uitdrukken, betekent dit dat loontrekkers per maand 950 euro meer inkomen zouden krijgen mocht het bbp op dezelfde manier verdeeld worden als 20 jaar geleden. Jo Cottenier noemt dit een gevolg van de patronale tsunami tegen lonen, tegen sociale zekerheid, tegen uitkeringen...: “De sociale zekerheid werd gepluimd door bijdrageverminderingen voor patronaat en minder subsidies van de overheid. Aan de andere kant rezen winsten en dividenden de pan uit. Zo is 10% bbp van kamp veranderd.” Terwijl, zoals gezegd, de vergrijzing de volgende 20 jaar 3,8% van het bbp meer kost. Die verschuiving binnen het bbp moet dus omgekeerd worden. “Een politieke keuze en een kwestie van krachtsverhoudingen”, stelt Jo Cottenier. “En dit hangt in de eerste plaats af van de vastberadenheid en doeltreffendheid van de vakbeweging. Hoe groot is de bereidheid om hoge doelstellingen te stellen: basta langer werken, behoud van het brugpensioen, verhoging van de pensioenen?”
Recht op gezond pensioen
We schreven eerder al dat de gemiddelde levensverwachting toeneemt. Vooral dat woordje ‘gemiddelde’ is hier van belang. Want terwijl de levensverwachting van hooggeschoolden er de laatste tien jaar met 2,5 jaar op vooruitging, bleef die voor ongeschoolden ongewijzigd, zo staat in een recente studie van de Koning Boudewijnstichting. Zo mogelijk nog frappanter is het verschil in ‘gezonde levensverwachting’ tussen hoger- en lagergeschoolden. Een voorbeeld. Een hooggeschoolde vrouw van 25 jaar kan nog meer dan 47 gezonde levensjaren verwachten. Voor een vrouw die geen onderwijs genoot is dat 18 jaar minder. Uit een studie van de PVDA en Geneeskunde voor het Volk van november 2011 bleek trouwens dat driekwart van de Belgen de pensioenleeftijd bereikt met een chronische aandoening. Gilbert De Swert noemt het in zijn boek Het pensioenspook de grootste discriminatie die er inzake pensioenen bestaat: de sociale ongelijkheid in levensverwachting en vooral gezonde levensverwachting.
Levensverwachting
• Een hooggeschoolde man van 25, kon begin deze eeuw verwachten 80 jaar te worden.
• Een middengeschoolde (hoger middelbaar) sterft gemiddeld 2,5 jaar vroeger (77,5)
• Wie enkel lager middelbaar onderwijs volgde, sterft gemiddeld 4 jaar vroeger (76).
• Wie enkel lager onderwijs voleind heeft, sterft gemiddeld 6 jaar vroeger (74).
• En wie geen enkel onderwijs volgde, gaat gemiddeld 7,5 jaar vroeger dood (72,5).
• De hooggeschoolden gingen 2,5 jaar vooruit in tien jaar.
• De middengeschoolden 2 jaar.
• De lager geschoolden 1,5 jaar.
• De ongeschoolden gingen er niet op vooruit.
Gezonde levensverwachting
• Op 25 jaar heeft een hooggeschoolde vrouw nog meer dan 47 gezonde jaren te verwachten.
• Een vrouw die hoger of lager middelbaar onderwijs volgde, ruim 5 à 6 jaar minder (41 à 42 jaren).
• Een vrouw die enkel lager onderwijs volgde, heeft 11 gezonde levensjaren minder te verwachten (36).
• En een vrouw die geen onderwijs genoot, ruim 18 jaar minder (29).
• Voor alle groepen is de achterstand op de hoogst geschoolden toegenomen.
• Voor vrouwen die middelbaar onderwijs (hoger of lager) volgden, steeg de achterstand van 1,5 à 3 jaren tot 5 à 6 jaren.
• Voor lager geschoolden steeg de achterstand van 10 tot 11 jaar.
• Voor ongeschoolden steeg de achterstand van 11,5 tot 18 jaar. Zij mogen nu (29) zelfs minder gezonde jaren verwachten dan eind de jaren negentig (33).
Jo Cottenier hierover: “Die verschillen zijn onaanvaardbaar groot en weerspiegelen de klassenverschillen in leef- en werkomstandigheden. Het recht op brugpensioen op 58 jaar is het recht om ook relatief gezond te genieten van zijn pensioen. De leeftijd van 58 tot 65 zijn de moeilijkste jaren om te werken maar zijn ook de beste jaren voor pensioen. Velen zijn al uitgeput op 55 jaar, na 35 jaar werk. Aanpassen van het pensioen aan de (gezonde) levensverwachting. Ja, dat kan precies met het brugpensioen. En dat wil men afschaffen.”
De patronale logica herleidt de pensioenkwestie tot een rekensommetje. Als de mensen langer leven, moeten ze ook even veel langer werken. Zo blijft het pensioen even lang. “Maar het pensioen is in de eerste plaats een maatschappelijke kwestie en geen aftrekresultaat”, schrijft Jo Cottenier. “De rijkdom van de maatschappij neemt toe dankzij de arbeid van de werkende bevolking. De vooruitgang van de maatschappij zou die werkende bevolking de kans moeten geven om na 38 à 45 jaar loopbaan ook langer van een welverdiend pensioen te genieten.”
Twee wereldvisies
“Het pensioendebat toont heel goed aan dat er klassen zijn in de maatschappij, die elk hun visie hebben”, stelt Jo Cottenier vast. Hij ziet dat de scheidingslijn heel klassiek loopt: kapitaal tegen arbeid, establishment tegen vakbonden. “Achter dit spagaat staan twee wereldvisies. Aan de ene kant is er de logica van de markt, de wetten van de concurrentie en de maximale winst. Aan de andere kant vertrekt men van de noden van de bevolking en het recht om langer van zijn pensioen te genieten.”
Hij besluit dan ook: “Het probleem is niet dat er geen middelen voorhanden zijn om een verhoging van de pensioenkost te betalen. Het probleem is dat een kapitalistische maatschappij die middelen niet wil besteden aan niet-productieve uitgaven.”
Bron: Solidair
 |